Aisha

05 February, 2009    

De dikke man zit als een pasja op het terras van het restaurant. Hij bestiert zijn lodge als een almachtige traditionele chief. Rond zijn in slippers gestoken knobbelige voeten zijn de zwarte jongens op handen en voeten bezig de rode lijnen tussen de flagstones op het terras opnieuw te schilderen. Aan zijn tafel zitten vier zwarte vrouwen in kleurige gewaden en met hoofddoeken om. De vrouwen kauwen rode takjes mirre. De bedrijfsleider legt de dikke man de afrekeningen voor van de vorige dag. De dikke man draagt een wijd traditioneel gewaad. Zijn enorme buik hangt ontspannen over zijn dijen. Op zijn hoofd piekt geelgrijs dun haar. Hij heeft kleine oogjes, die diep in de plooien van zijn gezicht liggen. Onder de grote dikke neus prijkt een gelig snorretje. Zijn stoppelige kin gaat bijna geheel verloren in de drie onderkinnen. De man beweegt weinig. Hij roept zo nu en dan orders en commentaar naar het zwarte personeel en hij babbelt wat met de vrouwen.

De "lodge" bestaat uit een halfopen restaurant, een twintigtal bungalowtjes, een zwembadje, een discobar op de top van een heuvel en verscholen in een hoek de verblijven van het personeel. De tuinen zijn paradijselijk mooi: heuvelachtig met bloeiende bougainville, hibiscus, cactussoorten, kokospalmen en zoet geurende frangipani. De gebouwen bestaan uit geraamtes van palen en bamboe bedekt met gevlochten palmbladeren en hier en daar een lemen muurtje. Het restaurant en de bar liggen op de hoogte punten, zodat de frisse zeebries er goed doorheen kan waaien. In de tuin veel insecten, vlinders, libellen, veelkleurige vogels, leguanen en zo nu en dan een groepje kleine grijze apen. Aan de ingang staat meestal een slaperige bewaker. De gasten bestaan uit Indiase zakenlieden en soms wat blanke rugzaktoeristen.

De jonge vrouw die aan komt lopen heeft een koffiebruine diep glanzende huid, een smal bovenlijf en brede heupen. Ze draagt een modern T-shirt en een spijkerbroek, grote goudkleurige oorsieraden en een kleurige kralenketting. Ze heeft lang half ontkroesd haar, dat ze draagt in een staartje, een langwerpig gezicht met een lange, scherpe neus, een smalle mond met brede lippen en lange, enigszins vooruitstekende tanden. Ze loopt langzaam met sloffende passen en draaiende heupen. Op het terras aangekomen kijkt ze om zich heen. Ze loopt naar de tafel van de dikke man en gaat zitten.

"Ik wil werken, baas"

De man bekijkt haar van top tot teen met zijn prikkende varkensoogjes.

"Heb je papieren?"

"Ik heb een identiteitsbewijs."

"Waar kom je vandaan?"

"Uit de buurt van Loyali."

"Je bent een woestijnvrouw. Somalistam?"

"Ja".

"Wat doe je hier?"

"Ik wilde mijn zuster opzoeken in Malindi. Ze was daar met haar Zwitserse man. Maar toen ik daar aan kwam, waren ze al weer vertrokken naar Europa."

"Waar verblijf je nu?"

"Bij mijn vriendin in het dorp, ook een Somali." "Kom vanavond naar mijn huis, dan zullen we zien."

De vrouw blijft nog even zitten, staat dan op, groet en wandelt terug naar het dorp. In het dorp zijn de wegen niet geasfalteerd. Alleen de rondweg langs de grote Europese hotelenclaves is goed begaanbaar. Er zijn diepe kuilen met modderkleurig water, waarin de muggenlarven welig tieren. Langs de weg staan Duka's, kleine winkeltjes, fruitverkopers, openluchtkappers, eetstalletjes en souvenirshops. Op de kruising van de twee voornaamste wegen bevindt zich een verveloos restaurant met een veranda volgepropt met gammel meubilair: The New Hilton. Naast het restaurant de bar, zodat er voor de eters naar wens ook bier beschikbaar is. Aan een tafeltje op de veranda van het restaurant zitten een zwarte vrouw en een blanke man. De vrouw roept.

"Farida, kom zitten."

"Habari, Aisha."

Ze gaat zitten en bestelt een glas koud water bij de dienster in het roze jasschort. Aisha is een vriendin, zie ze hier heeft leren kennen, ze spreken dezelfde taal, Somali. Het gegeven dat ze een Somalische en geen Keniase Somali is, neemt niet weg, dat Farida zich met haar vertrouwd voelt. Je stam is je thuis, veel meer dan je land. Aisha kleedt zich modern en uitdagend: een zilverkleurig topje, blote buik en een strakke broek met luipaardmotief. Veel armbanden en kettingen. Ontkroesd en enigszins rossig geverfd haar. Ze heeft veel succes bij de blanke mannen, die ze tegenkomt in de discobars en die haar feitelijk onderhouden. Waarom ze precies uit Somalië is gevlucht is niet helemaal duidelijk. Farida vermoedt, dat er een familieprobleem speelde, samenhangend met haar "losse" gedrag.

Aisha maakt een plastic zak open, die gevuld is met geroosterd vlees . Ernaast staat een bord met Chapati's, plat gebakken brood.

"Eet."

Ze eten met hun handen.

"Dit is Thomas, hij komt uit Europa."

"Habari, Thomas."

"Mzuri sana."

"Spreek je Swahili?"

"Drie woorden."

De blanke metgezel van haar vriendin is een voor een blanke vrij korte man met een buikje. De rimpels in zijn brede gezicht verraden beslist al een zekere leeftijd, hetgeen onder haar vriendinnen beslist niet als een bezwaar geldt. Integendeel. Een jonge man heeft weinig te bieden: geen veiligheid, geen zekerheid. Jonge mannen zijn vaak zo wispelturig, drinken te veel en slapen met wie ze dan tegenkomen. Ze verdienen weinig, vechten vaak en beschikken nog niet over enige "wijsheid." Hij heeft donker haar, draagt een bril met randloos montuur, van waarachter grijsgroene ogen haar helder twinkelend aankijken. Ze heeft hem wel vaker met zijn rugzak in zijn eentje door her dorp zien lopen, zich met een paar woorden Swahili en veel gebaren, een weg zoekend tussen alle mensen, die hem iets willen verkopen of om geld "te leen" vragen.

Als het eten op is gaan ze naar binnen om hun handen te wassen aan het fonteintje. Terug op de veranda bladert Thomas in een reisgids.

"Waar ben je geweest?", vraagt Aisha."

"In Palm Trees."

"Bij de dikke man?"

"Ja, ik heb om werk gevraagd."

"De dikke man is slecht. Hij houdt van dikke billen. Hij zoekt altijd vrouwen, breed van onderen. Wat heeft hij gezegd?"

"Hij wil, dat ik vanavond naar zijn huis kom."

"Farida, doe het niet Deze man heeft een kwaad oog."

"Maar ik moet iets doen, ik wil naar huis."

"Wat is het probleem?", bemoeit Thomas zich ermee.

"Farida woont in Loyali, niet ver van het Turkanameer. Ze heeft haar kinderen daar gelaten bij haar moeder. Ze kwam hier naar toe om haar zuster op te zoeken. Maar die was al weer weg en nu heeft ze geen geld om naar huis terug te gaan. De reis is lang."

"Ik ben hier nu al drie maanden en ik wil terug."

"Hoe is Loyali?"

"Het is er heet, maar ook mooi. Ben je er geweest?"

"Nee."

"Kom met mij mee naar Loyali, dan zal ik je laten zien hoe het daar is. Ik kan je meenemen in de bush."

"Zie je, ze mist haar kinderen en ze wil naar huis, maar ze heeft veel geld nodig. Farida, wat ga je doen?"

"Ik ga mijn kleren wassen en dan zie ik wel. Kwa heri."

De tropische nacht valt vroeg en plotseling. Rusteloos zwerft ze door het schaars verlichte dorp. Ik ben hier al veel te lang. Ik hoef geen honger te hebben. Er zijn genoeg Somali's. Mijn vriendinnen wonen met blanke oude mannen, die ze verzorgen en ik kan overal eten en drinken krijgen. Maar geld hebben ze niet. Niemand heeft hier geld. Alleen de blanken. Het dorp is vol met vluchtelingen en gelukzoekers, die zich allemaal in leven proberen te houden. Zelfs als ik werk zou vinden, zou het maanden duren voor ik genoeg bij elkaar had voor de reis. In gedachten telt ze de kosten. Bus naar de dichtstbijzijnde grote stad, bus naar de hoofdstad, bus naar het Noorden, vrachtwagen naar Loyali en een beetje geld voor eten onderweg. Slapen kan ik wel in de bus of op een bank. Wat wil de dikke man van mij? Heeft hij echt het kwade oog? Heeft de blanke zoveel macht? Over welke krachten beschikt hij? Zou ze hier een "witchdoctor" kunnen vinden om het kwaad af te wenden?

Ze besluit om raad te vragen aan Mahamed, een stamgenoot, van wie men zegt, dat hij over krachten beschikt.

Als ze bij zijn hut komt zit hij met zijn drie vrouwen op een kleed onder de kokospalmen. Ze begroeten elkaar langdurig met een ritueel, waarbij ze elkaar op verschillende manieren de hand schudden.

"Mahamed jij bent wijs, je kent de krachten. Ik moet iets hebben voor het boze oog van de dikke man van Palm Trees lodge."

"Wat is de naam van je moeder?"

"Leila".

"En die van je vader?"

"Elim, hij is een Turkana."

"Breng me de lamp."

Bij het schijnsel van de olielamp, die hem is gebracht door vrouw nummer één, bladert hij in een bundel vergeelde papieren met Arabisch schrift. Het duurt lang. De vrouwen zitten zwijgend en roerloos op de grond.

"Roep de jongen."

Eén van de vrouwen staat op, loopt weg en komt even later terug met een haveloos geklede jongen van een jaar of 12.

"Haal mijn spullen."

De jongen komt terug met een leren bundel, waarin allerlei krachtige voorwerpen zitten: tanden van roofdieren, schedels, nagels, takjes en kruiden

"Draag dit op je buik. Doe het nooit af. Ben je sterk?"

"In Loyali draag ik met gemak de grootste waterkruiken."

"Kun je een mes gebruiken?"

"Ik beende met mijn vader de geslachte schapen uit, vóór ik vrouw was."

Mahamed gaat de hut binnen en komt terug met een kort mes in een roodleren foedraal en geeft het aan Farida.

"Gebruik de panga als het nodig is."

Ze pakt het aan neemt respectvol afscheid en gaat weg. Ze bindt de amulet om haar middel. Het foedraal met het mes stopt ze in haar broek.

Ze loopt naar het strand en kijkt naar de zee, waar ze niet van houdt.

Ik houd van de woestijn, van de savanne en van de bergen, waar in het doge seizoen de mannen met de kuddes schapen, geiten en kamelen heen trekken. Van het nachtenlang dansen en zingen onder de sterrenhemel, wanneer overdag geslapen wordt. Ik houd van geroosterd vlees en rijst of griesmeelpap. De zee maakt me bang. De vis stinkt.

Dan neemt ze het pad naar de villa van de dikke man. Daar aangekomen haalt ze diep adem, voelt met haar hand over het foedraal in haar broek en klopt op de deur.

Eén van de boys doet open.

"Ik kom voor de dikke man".

"Farida.....", begint de boy, maar ze wuift zijn commentaar weg.

Hij gaat haar voor naar de grote kamer.

De dikke man hangt op een ligstoel onder een grote plafondventilator.

"Zo, je bent dus gekomen."

"Ik wil naar huis, ik heb geld nodig, 5000 shilling."

De dikke man fluit tussen zijn tanden.

"Dat is veel geld, minstens 50 dagen werk."

"Zeg maar wat ik moet doen."

"Eerst zullen we wat drinken. Amos, haal koud bier. Drink je bier?"

"Nee, ik drink geen alcohol. Geef mij maar murungi, mirre."

"Koud bier en Murungi".

Ze gaat zitten in één van de houten met sisal gevlochten stoelen.

De man bestudeert haar onbeschaamd van top tot teen.

"We zullen zien wat je er voor over hebt."

Amos komt terug met het bier en de murungi.

"Je kunt nu wel gaan."

Als de boy vertrokken is, drinkt de man gulzig van het bier, zodat het in kleine straaltjes langs zijn mond loopt. Hij likt zijn lippen af, terwijl zij de bast van de mirretakjes met haar tanden verwijdert en kauwt op de zachte delen.

Dan hijst de man zich puffend uit zijn ligstoel en komt op haar af.

"Als je me kwaad doet, dan roep ik de politie."

De man lacht smadelijk.

"En denk je echt dat die komt?"

De dikke man grijpt haar beet en begint haar smakkend en snuivend te betasten. Ze ruikt de penetrante geur van witman's zweet.

Als door een groene slang gebeten, springt ze achteruit. Ze voelt naar het foedraal en dan wordt het rood voor haar ogen.

Ze rent weg van de plek over het pad door het kokosbos, het dorp in, langs de winkeltjes, voorbij de moskee, totdat ze met een enorme klap ergens tegenop botst.